Medisch Centrum Oost

Inmiddels was ik al zover hersteld dat ik met krukken door de gangen van het hospitaal mocht strompelen. Echt lopen kon je het niet noemen en iedere wandeling bleek een helse excursie te worden. Mijn medepatiënten hadden net als ik weinig pijn. De een had zijn arm gebroken en de ander lag te herstellen van een kleine ingreep. De sfeer op de zaal was gemoedelijk en als er op zondag bezoek was, werd er veel gelachen. Kaarten, bloemen en fruitmanden versierden de zaal rijkelijk. Aan het lezen van Tsjechovs verhalenbundel ben ik niet toegekomen. Ik kon mij niet concentreren met al die drukte om mij heen. Telkens als ik mijn boek had opengeslagen, haalde een sensuele zuster in haar witte doorschijnende pakje mij uit de concentratie.
Ik lag rechts bij de deur en zette bij iedere passerende zuster een streepje op de muur.
‘Nummer zeven van vandaag Arend!’
‘Hoppa,’ was normaliter zijn korte reactie.
Soms riep de seksueel gefrustreerde Arend de Ruiter helemaal uit zijn hoek:
‘En, en… wat draagt zij eronder?’
De arme man had zich na grote druk van mevrouw De Ruiter laten castreren.
Arend huilde ´s nachts.
Het wandelen ging mij steeds beter af. De afstanden werden langer en soms liep ik helemaal naar de conversatiezaal. Daar konden verveelde patiënten een oud tijdschrift of een vieze krant lezen. Troosteloos, vooral als het buiten guur was en de ramen bedekt waren met tranen.
Rechts aan het einde van de gang stond de deur voor zeer ernstige gevallen op een kiertje. Uit de kamer klonk een klagend, bijna onmenselijk geluid. Voor een seconde twijfelde ik of ik wel een kijkje moest gaan nemen. Met mijn aluminium krukken maakte ik te veel geluid en voelde me betrapt. Toch keek ik voorzichtig de kamer in. Wat ik daar zag liggen schepte mijn verbazing. Daar lag geen patiënt maar een mummie. Het gemompel kwam van een bed wat abnormaal hoog was opgedraaid. Van heel zijn lichaam was alleen zijn geslacht vrij van verband, van zijn hoofd waren enkel zijn ogen en mond te zien. Ik vroeg hem maar niet naar zijn condities.
‘Allang hier?’, vroeg ik onverschillig.
Ik verstond geen woord van de mummie. Hij gebaarde vaag naar zijn buik en geslacht.
Ik stelde hem gerust en liep de kamer uit. Op de gang trof ik een zuster die op dat moment haar borsten omhoog duwde. Op haar linkerborst las ik Reini van Lennep-Hermans, hoofdverpleegkundige. Zij vroeg mij te assisteren met het opliften van de mummie.
Het enige dat Boris nog kon na zijn auto-ongeluk was mompelen. Met de vijfenzestig fracturen die hij had opgelopen zou hij niets nuttigs meer in zijn leven kunnen doen. Als een mummie lag hij al maandenlang de gehele dag op zijn ziektebed. Boris was slachtoffer geworden van zijn eigen roekeloosheid. Zijn meisje moedigde hem aan om nog iets harder te gaan dan 160 kilometer per uur. Toen Boris de controle over het stuur verloor, slingerde zijn vriendin met haar lichaam door de lucht en belandde met haar buik tegen een uitstekende tak van een boom. Helemaal opengereten en met een kapotte schedel viel zijn vriendin half in de sloot. Met het slootwater en haar eigen ingewanden die zij bij iedere luchthap naar binnen kreeg, stikte zij langzaamaan. Het arme kind was nog geen tweeëntwintig jaar. Reini vertelde de trieste afloop van stuntman zonder gêne. Zij had de mummie een zwaar slaapmiddel ingediend, dat verklaarde alles. Haar slipje was gevoelig zichtbaar, zelfs haar tepels keken mij strak in de ogen. Voor haar leeftijd zag zij er streng uit. Waarschijnlijk kwam het door de ouderwetse haardracht.
Ik mocht voorzichtig met één kruk gaan lopen en liep met enige regelmaat naar de kamer van Boris. Altijd op hetzelfde tijdstip als de mummie door Reini werd verzorgd. De gesprekken tussen Reini en mij werden intiemer, wij deelden dezelfde passie voor literatuur. Zij hield van tragiek.
Op een avond vroeg zij mij hoeveel meisjes ik had gekend. Ik zei haar dat ik hoogstens drie meisjes echt had gekend. En passante avontuurtjes telde niet mee en die wilde ik ook niet met haar delen. Toen ik haar vroeg of zij nog maagd was, antwoordde Reini resoluut:
‘Ja, ik ben nog nooit geneukt!’
Het leek alsof de oren van de mummie nog goed functioneerde, want zijn geslacht groeide en resulteerde in een enorme erectie. Reini lachte onbedaarlijk en draaide zich van mij af. Zij concentreerde zich op de gigantische obelisk van de mummie. Zonder een plastic handschoentje aan te trekken, streelde zij Boris. Bij elke beweging van haar hand leek het gekreun luider te worden.
‘Ik heb nog nooit een echte vriend gehad. Kijk nu eens naar deze anatomische puzzel, die hoogstwaarschijnlijk nooit meer tot een geheel zal samengroeien. Het enige wat hij nog kan is onbewust zijn fallus naar de hemel laten wijzen. En ik, ik streel zijn ego.’
Maagd of geen maagd ik voelde mij een ongemakkelijke voyeur en vertelde een frappant verhaal om haar af te leidden. Afwezig keek zij uit het raam naar de wolken die voorbij raasden. Het leek erop naarmate de wolken sneller voorbij gingen zij harder met haar mond op en neer ging. De arme mummie hield het niet meer. Toen ik opstond en zonder hulp van mijn aluminium kruk de kamer verliet, haalde Reini de natte fallus van Boris net uit haar mond hield.
‘Een hoofdverpleegster heeft als taak de zieken te verzorgen.’
Zei zij met de meest erotische stem die ik ooit had gehoord.