De torenvalk


Wij hebben een torenvalk in onze achtertuin. Gemakshalve noemen we hem Yannis. Torenvalken zijn net buren, bedeesd en honkvast. Yannis komt op vaste tijdstippen in dezelfde boom een kijkje nemen. Ook typisch een menseneigenschap; op vaste tijden dezelfde route fietsen. Voor roofvogels zijn er muizen genoeg in onze wijk, aangezien de tuinen aan het bos grenzen.
Met de nachtelijke vorst trekken de woelmuisjes richting de huizen, opzoek naar warmte. Yannis is, net als veel van onze buren alleen en lijkt het overgrote merendeel mis te grijpen tijdens zijn jacht. Dit maakt hem ook wel een beetje treurig, ook niet heel toevallig.
Op een vroege ochtend roep ik A.
“Yannis zit weer op zijn tak.”
“Maar schat?”, vraagt ze verontwaardigd.
“Dat is geen torenvalk maar een ordinaire duif.”
“Haha”, brul ik.
“Je ziet toch aan zijn borst dat het een roofvogel is”, voeg ik hier aan toe.
A. loopt weg van het raam en mompelt nog wat over hoe dom duiven zijn.
Op het moment dat ik mijn verrekijker uit de kast pak, struint ze de trap af.
“Godverdomme”, komt er iets te nadrukkelijk uit mijn mond.
Degene die niets met het gevleugelde soort had voordat ze mij leerde kennen, heeft gelijk. Het goudhaantje heeft ze ook al eens eerder gespot, niet te verwarren met het vuurgoudhaantje.
Op een kleine tak, te midden van de boom zit een vieze dikke stadsduif voor zich uit te staren. Hoe heb ik dit niet met het blote oog kunnen zien? Juist in mijn geval zal A. deze anekdote veelvuldig herhalen en zal ik op partijtjes het laveloze geschater nog lang moeten aanhoren.
“Sukkel”, hoor ik zacht maar heel duidelijk vanuit de keuken.